Beta-glucanen en immuunondersteuning

Na vitamine D, zink, vitamine C en quercetine komen we bij een groep stoffen die weer heel anders in elkaar zit:

bèta-glucanen.

Je vindt deze naam tegenwoordig op allerlei supplementen voor de weerstand. Maar je kunt bèta-glucanen ook gewoon tegenkomen in een kom havermout, een portie gerst of verschillende paddenstoelen.

En daar ontstaat meteen iets interessants.

Want een bèta-glucaan uit haver is niet hetzelfde als een bèta-glucaan uit gist.

En een bèta-glucaan uit een paddenstoel hoeft op zijn beurt weer niet precies dezelfde structuur te hebben als dat uit bakkersgist.

Toch worden ze op etiketten allemaal simpelweg bèta-glucanen genoemd.

Dat kan behoorlijk verwarrend zijn.

Want wanneer iemand zegt:

“Bèta-glucanen zijn goed voor...”

is eigenlijk de eerste vraag:

welke bèta-glucanen bedoel je?

Dat gaan we in deze blog uitzoeken.

Wat zijn bèta-glucanen?

Bèta-glucanen zijn polysachariden.

Dat klinkt ingewikkeld, maar het betekent simpel gezegd dat ze bestaan uit lange ketens van glucosemoleculen die aan elkaar gekoppeld zijn.

Je kunt het vergelijken met een kralenketting.

De glucosemoleculen zijn de kralen.

Maar de manier waarop die kralen met elkaar verbonden zijn, kan verschillen.

En precies daar zit het bijzondere van bèta-glucanen.

De plaats van de verbindingen, de lengte van de keten, de vertakkingen, oplosbaarheid en driedimensionale vorm kunnen allemaal invloed hebben op de eigenschappen van een bèta-glucaan.

Daarom is:

bèta-glucaan ≠ één specifieke stof.

Het is een hele familie van verbindingen.

Waar komen bèta-glucanen voor?

Bèta-glucanen komen voor in verschillende organismen en voedingsmiddelen.

Bekende bronnen zijn:

  • haver;

  • gerst;

  • gist;

  • paddenstoelen;

  • bepaalde algen;

  • sommige micro-organismen.

Voor deze blog zijn vooral drie groepen interessant:

bèta-glucanen uit haver en gerst

bèta-glucanen uit gist

bèta-glucanen uit paddenstoelen

Want juist tussen die groepen bestaan belangrijke structurele verschillen.

Eerst haver en gerst

De bèta-glucanen uit haver en gerst zijn vooral opgebouwd uit zogenaamde:

β-(1→3)- en β-(1→4)-verbindingen.

Je hoeft die cijfers niet te onthouden.

Ze vertellen simpel gezegd op welke plek de glucosemoleculen aan elkaar vastzitten.

Die structuur zorgt ervoor dat bèta-glucanen uit granen zich in het spijsverteringskanaal gedragen als oplosbare voedingsvezels.

Wanneer ze voldoende water opnemen, kunnen ze de inhoud van de darm stroperiger maken.

En juist deze eigenschap is belangrijk voor een aantal van de effecten waarvoor haver- en gerstbèta-glucanen bekend zijn.

Haver-bèta-glucanen worden vooral onderzocht voor iets anders dan weerstand

Dit is een belangrijk onderscheid.

Wanneer je leest over de goed onderbouwde gezondheidseffecten van bèta-glucanen uit haver en gerst, gaat het vooral over cholesterol en de glucoserespons na een maaltijd.

Binnen Europa bestaan hiervoor onder voorwaarden toegestane gezondheidsclaims.

Dat betekent echter niet dat je deze onderbouwing zomaar kunt gebruiken voor een gist-bèta-glucaan of een paddenstoelenextract.

De bron en structuur doen ertoe.

Een product waarop alleen groot BÈTA-GLUCAN staat, vertelt je dus eigenlijk nog te weinig.

En dan gist: een heel andere structuur

Bèta-glucanen uit gist zien er anders uit.

Een bekende bron is:

Saccharomyces cerevisiae

oftewel bakkers- of biergist.

Deze bèta-glucanen bevinden zich in de celwand van de gist.

Ze bestaan voornamelijk uit een β-(1→3)-glucaanruggengraat met β-(1→6)-vertakkingen.

Dat klinkt misschien als een klein chemisch verschil met haver.

Biologisch kan dat verschil juist heel belangrijk zijn.

Ons immuunsysteem beschikt namelijk over receptoren die bepaalde moleculaire patronen kunnen herkennen.

En daarmee komen we bij de reden waarom gist-bèta-glucanen zoveel aandacht krijgen binnen onderzoek naar weerstand.

Hoe kan een immuuncel een bèta-glucaan herkennen?

Ons aangeboren immuunsysteem moet snel bepaalde structuren kunnen herkennen die bijvoorbeeld bij micro-organismen voorkomen.

Daarvoor hebben immuuncellen zogenaamde pattern-recognition receptors.

Je kunt die een beetje zien als moleculaire sensoren.

Een bekende receptor in het onderzoek naar schimmel- en gist-bèta-glucanen heet:

Dectin-1.

Dectin-1 kan bepaalde β-(1→3)-glucaanstructuren herkennen.

Wanneer zo'n structuur wordt herkend, kan dat signaleringsroutes in een immuuncel beïnvloeden.

En dat maakt bèta-glucanen uit gist en schimmels biologisch interessant.

Niet omdat ze simpelweg een extra vitamine leveren.

Maar omdat hun structuur door onderdelen van het aangeboren immuunsysteem kan worden herkend.

Betekent herkenning automatisch dat je weerstand sterker wordt?

Nee.

Dat is een belangrijke stap die in marketing nogal eens wordt overgeslagen.

Dat we een biologisch mechanisme kunnen aantonen, betekent nog niet automatisch dat een supplement voorkomt dat iemand ziek wordt.

Daarvoor hebben we onderzoek bij mensen nodig.

En dat onderzoek bestaat ook.

Vooral gestandaardiseerde bèta-glucanen uit gist zijn onderzocht bij gezonde mensen in relatie tot bovensteluchtweginfecties.

Een systematische review en meta-analyse van dertien gerandomiseerde onderzoeken vond aanwijzingen voor minder episodes en een kortere duur van bovensteluchtweginfecties bij gebruik van bepaalde gist-bèta-glucanen.

Maar de onderzoekers benadrukten tegelijkertijd dat de onderzoeken behoorlijk van elkaar verschilden en dat meer kwalitatief goed onderzoek nodig is.

Dat vind ik precies de juiste nuance.

Interessante aanwijzingen: ja.

Bewijs dat ieder bèta-glucaansupplement voorkomt dat je verkouden wordt: nee.

Waarom kun je die onderzoeken niet op ieder potje toepassen?

Omdat opnieuw de structuur en formulering belangrijk zijn.

Onderzoeken gebruiken specifieke bèta-glucanen in specifieke hoeveelheden.

Een willekeurig product kan afkomstig zijn van een andere bron, anders geëxtraheerd zijn, een andere zuiverheid hebben of een andere moleculaire structuur bevatten.

Daarom kun je niet zeggen:

“Onderzoek met bèta-glucaan X liet een bepaald resultaat zien, dus ieder product waarop bèta-glucanen staat doet hetzelfde.”

Dat geldt eigenlijk voor veel supplementen.

Maar bij bèta-glucanen is het extra belangrijk.

En hoe zit het met paddenstoelen?

Paddenstoelen brengen weer een nieuw hoofdstuk in het verhaal.

Ook de celwanden van paddenstoelen bevatten bèta-glucanen, waaronder verschillende β-(1→3)- en β-(1→6)-structuren.

Maar zelfs binnen de wereld van paddenstoelen bestaat enorme variatie.

De structuur kan verschillen tussen soorten.

Ook molecuulgewicht, vertakkingsgraad, oplosbaarheid en ruimtelijke vorm kunnen verschillen.

Onderzoek laat zien dat juist die structurele eigenschappen waarschijnlijk mede bepalen hoe een bèta-glucaan biologisch reageert.

Daarom is:

“bèta-glucanen uit paddenstoelen”

nog steeds een behoorlijk brede omschrijving.

Shiitake, maitake, reishi en lion's mane zijn niet hetzelfde

Je ziet in supplementen bijvoorbeeld extracten van:

  • shiitake;

  • maitake;

  • reishi;

  • lion's mane.

Ze kunnen allemaal polysachariden en bèta-glucanen bevatten.

Maar daarmee zijn de extracten nog niet onderling uitwisselbaar.

Bovendien bevatten paddenstoelen naast bèta-glucanen nog allerlei andere stoffen.

Wanneer een onderzoek een specifiek paddenstoelenextract gebruikt, kunnen we daarom niet altijd zeggen dat een waargenomen effect uitsluitend door “de bèta-glucanen” komt.

Dat is ook waarom ik bij paddenstoelensupplementen graag verder kijk dan alleen de voorkant van het potje.

Polysachariden zijn niet automatisch bèta-glucanen

Dit is een heel praktisch detail voor wie supplementen vergelijkt.

Op sommige paddenstoelenproducten staat bijvoorbeeld:

30% polysachariden

Dat klinkt indrukwekkend.

Maar polysachariden is een brede groep koolhydraten.

Niet iedere polysacharide is een bèta-glucaan.

Een vermelding van het totale percentage polysachariden vertelt dus niet automatisch hoeveel bèta-glucanen het product daadwerkelijk bevat.

Wanneer je specifiek geïnteresseerd bent in bèta-glucanen, is een daadwerkelijk gestandaardiseerd of gemeten bèta-glucaangehalte veel informatiever.

En wat betekent 'fruiting body'?

Bij paddenstoelensupplementen kom je vaak de termen:

fruiting body

en

mycelium

tegen.

Het fruiting body is het vruchtlichaam: het deel dat wij meestal als de paddenstoel herkennen.

Mycelium is het netwerk van schimmeldraden waaruit een schimmel groeit.

Beide kunnen interessante stoffen bevatten, maar de samenstelling kan verschillen.

Bij myceliumproducten speelt bovendien mee op welk substraat het mycelium is gekweekt en hoeveel daarvan uiteindelijk in het product aanwezig is.

Daarom vind ik transparantie over bron, extractie en daadwerkelijke bèta-glucaaninhoud belangrijker dan alleen een mooie paddenstoel op het etiket.

Worden bèta-glucanen eigenlijk opgenomen?

Dit verhaal is ingewikkelder dan bij vitamine C of zink.

Bèta-glucanen zijn grote koolhydraatstructuren.

Ons eigen spijsverteringssysteem breekt ze niet simpelweg volledig af tot glucose zoals bij verteerbaar zetmeel gebeurt.

Bij graan-bèta-glucanen speelt daarom vooral hun gedrag als oplosbare vezel in het darmkanaal een belangrijke rol.

Bij gist- en schimmel-bèta-glucanen wordt daarnaast onderzocht hoe ze in het darmmilieu worden herkend en verwerkt en hoe kleinere fragmenten of interacties met immuuncellen kunnen bijdragen aan biologische effecten.

Ook het darmmicrobioom kan daarbij een rol spelen.

Het is dus te simpel om te zeggen:

“bèta-glucanen worden niet opgenomen en werken alleen in de darm.”

Maar het is óók te simpel om ze te behandelen alsof ze net als een vitamine rechtstreeks volledig in het bloed terechtkomen.

De darm is juist een interessante ontmoetingsplek

Eigenlijk past dat heel mooi bij onze eerdere blog over weerstand.

De darm is een groot contactoppervlak tussen de buitenwereld en het lichaam.

Daar bevinden zich voedingsstoffen, bacteriën, voedingsvezels en allerlei andere moleculen dicht bij darm- en immuuncellen.

Bèta-glucanen zijn interessant omdat hun structuur binnen deze omgeving interacties kan aangaan die heel anders zijn dan die van bijvoorbeeld vitamine D of zink.

Dat is ook waarom deze blog zo goed in deze reeks past.

We hebben inmiddels verschillende manieren gezien waarop voeding met het immuunsysteem verbonden kan zijn:

vitamine D → hormonale signaalroutes

zink → enzymen en cellulaire processen

vitamine C → immuuncellen en antioxidatieve processen

quercetine → bioactieve plantenstof en cellulaire signaalroutes

bèta-glucanen → structurele koolhydraten die onder andere door immuunreceptoren kunnen worden herkend

Het immuunsysteem heeft dus niet één voedingsknop.

Bèta-glucanen en het microbioom

Omdat bèta-glucanen niet op dezelfde manier worden verteerd als gewone koolhydraten, kunnen ze ook in contact komen met darmmicro-organismen.

Bepaalde bèta-glucanen kunnen door bacteriën worden gefermenteerd.

Daarbij kunnen metabolieten ontstaan, waaronder korteketenvetzuren.

Onderzoekers kijken daarom ook naar mogelijke relaties tussen:

bèta-glucanen → darmmicrobioom → bacteriële metabolieten → darmomgeving en immuunsysteem.

Dit onderzoeksgebied is interessant, maar ook complex.

Niet ieder bèta-glucaan wordt namelijk op dezelfde manier gefermenteerd en niet ieder mens heeft hetzelfde microbioom.

Ook hier geldt dus weer:

de structuur doet ertoe.

Bèta-glucanen uit voeding

Wie bèta-glucanen uit gewone voeding wil binnenkrijgen, hoeft niet meteen naar een supplement te grijpen.

Vooral haver en gerst zijn praktische bronnen.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • havermout;

  • haverzemelen;

  • volkoren haverproducten;

  • gerst.

Paddenstoelen kunnen eveneens bèta-glucanen leveren, al verschilt de hoeveelheid en samenstelling sterk per soort.

En opnieuw is voeding iets anders dan een geïsoleerd extract.

Een kom havermout levert naast bèta-glucanen bijvoorbeeld ook eiwitten, mineralen en andere voedingsvezels.

Waarom staat er soms 1,3/1,6 op een supplement?

Nu kun je waarschijnlijk al raden waarom.

Wanneer op een product staat:

β-1,3/1,6-glucaan

vertelt de fabrikant iets over de verbindingen tussen de glucosemoleculen.

Dat kan nuttiger zijn dan alleen de algemene term bèta-glucanen.

Maar zelfs 1,3/1,6 vertelt nog niet het hele verhaal.

Ook zaken zoals:

  • bron;

  • zuiverheid;

  • molecuulgewicht;

  • vertakkingsgraad;

  • oplosbaarheid;

  • extractiemethode;

  • dosering

kunnen relevant zijn.

Een etiket lezen wordt daarmee iets minder eenvoudig, maar ook een stuk informatiever.

Waar let ik op bij een bèta-glucaansupplement?

Ik zou eerst kijken naar waarom je het product koopt.

Wil je een haverproduct vanwege de eigenschappen van oplosbare vezels? Dan kijk je naar iets anders dan wanneer je geïnteresseerd bent in een gestandaardiseerd gist-bèta-glucaan dat in immuunonderzoek is gebruikt.

Daarna kijk ik naar:

De bron
Haver, gerst, gist of paddenstoel?

De structuur
Wordt bijvoorbeeld β-1,3/1,6 vermeld?

De daadwerkelijke hoeveelheid
Hoeveel bèta-glucaan levert de dagdosering?

Standaardisatie
Is daadwerkelijk gemeten hoeveel bèta-glucaan aanwezig is?

Bij paddenstoelen: welk deel wordt gebruikt?
Vruchtlichaam, mycelium of beide?

Is het onderzoek relevant voor dit specifieke product?
Onderzoek naar één gestandaardiseerde gist-bèta-glucaan kun je niet automatisch gebruiken als bewijs voor ieder ander bèta-glucaanproduct.

Dat laatste vind ik misschien wel het belangrijkste.

Zijn bèta-glucanen veilig?

Bèta-glucanen uit gewone voedingsmiddelen zoals haver, gerst en eetbare paddenstoelen maken onderdeel uit van normale voeding.

Bij geconcentreerde supplementen ligt de situatie anders, omdat bron, hoeveelheid en samenstelling sterk kunnen verschillen.

Bij medicijngebruik, zwangerschap, borstvoeding, een aandoening van het immuunsysteem of gebruik van medicijnen die het immuunsysteem beïnvloeden, is het verstandig geconcentreerde supplementen eerst met arts of apotheker te bespreken.

Dat geldt vooral wanneer een product juist vanwege mogelijke invloed op immuunprocessen wordt gebruikt.

Wat weten we nu werkelijk over bèta-glucanen en weerstand?

Er is een duidelijk biologisch verhaal.

Vooral bepaalde bèta-glucanen uit gist en schimmels kunnen worden herkend door receptoren van het aangeboren immuunsysteem, waaronder Dectin-1.

Er bestaat daarnaast menselijk onderzoek naar gestandaardiseerde gist-bèta-glucanen en luchtweginfecties. Een meta-analyse vond positieve signalen, maar wees ook op verschillen tussen onderzoeken en de behoefte aan meer kwalitatief goede studies.

Dat betekent dat ik bèta-glucanen niet zou wegzetten als alleen maar marketing.

Maar ik zou evenmin zeggen:

“Neem bèta-glucanen en je wordt niet verkouden.”

De juiste vraag is veel specifieker:

welk bèta-glucaan, uit welke bron, met welke structuur, in welke hoeveelheid en voor welk doel?

En dat is eigenlijk de kern van deze hele blog.

Wil je persoonlijk kijken naar wat bij jou past?

Ik ben Annet van AGS-Orthomoleculair. In mijn begeleiding kijk ik samen met jou naar voeding, leefstijl en supplementen op een rustige en praktische manier.

Heb je na het lezen van deze blog vragen of wil je meer overzicht in jouw situatie? Dan kun je gerust contact met mij opnemen.

Neem contact met mij op →

Veelgestelde vragen over bèta-glucanen

Wat zijn bèta-glucanen?

Bèta-glucanen zijn polysachariden die bestaan uit glucosemoleculen. Ze komen onder andere voor in haver, gerst, gist en paddenstoelen. Hun precieze structuur verschilt per bron.

Zijn bèta-glucanen uit haver en gist hetzelfde?

Nee. Haver- en gerstbèta-glucanen bestaan vooral uit β-(1→3)- en β-(1→4)-verbindingen en staan vooral bekend als oplosbare voedingsvezels. Gist-bèta-glucanen bevatten voornamelijk β-(1→3)-structuren met β-(1→6)-vertakkingen en worden onder andere onderzocht vanwege interacties met het aangeboren immuunsysteem.

Zijn bèta-glucanen goed voor de weerstand?

Bepaalde gist- en schimmelbèta-glucanen worden onderzocht in relatie tot immuunfunctie. Er zijn bij mensen interessante resultaten gevonden met specifieke gist-bèta-glucanen, maar die resultaten kunnen niet automatisch worden toegepast op ieder product dat bèta-glucanen bevat.

Wat is Dectin-1?

Dectin-1 is een receptor die voorkomt op bepaalde immuuncellen en specifieke β-glucaanstructuren kan herkennen. Deze herkenning kan cellulaire signaalroutes activeren en is een belangrijk onderdeel van het onderzoek naar schimmel- en gist-bèta-glucanen.

Welke paddenstoelen bevatten bèta-glucanen?

Veel paddenstoelen bevatten bèta-glucanen, waaronder shiitake, maitake, reishi en lion's mane. De hoeveelheid en structuur kunnen per soort en product verschillen.

Betekent 30% polysachariden ook 30% bèta-glucanen?

Nee. Bèta-glucanen zijn polysachariden, maar niet alle polysachariden zijn bèta-glucanen. Een specifiek gemeten bèta-glucaangehalte geeft daarom meer informatie.

Is mycelium hetzelfde als het vruchtlichaam?

Nee. Mycelium bestaat uit het netwerk van schimmeldraden. Het vruchtlichaam is het deel dat we doorgaans als de paddenstoel herkennen. De samenstelling kan verschillen.

Wat betekent bèta-1,3/1,6-glucaan?

De cijfers beschrijven hoe glucosemoleculen binnen het bèta-glucaan met elkaar verbonden zijn. Deze structuur komt veel voor bij bèta-glucanen uit gist en schimmels.

Tot slot

Bèta-glucanen lijken op het eerste gezicht één voedingsstof.

Maar zodra je iets verder kijkt, blijkt dat niet zo te zijn.

Een bèta-glucaan uit een kom havermout kan zich heel anders gedragen dan een β-1,3/1,6-glucaan uit de celwand van gist.

En een paddenstoel bevat weer zijn eigen combinatie van verschillende polysachariden en andere stoffen.

Daarom is de belangrijkste les van deze blog eenvoudig:

kijk niet alleen óf een product bèta-glucanen bevat, maar vooral welke bèta-glucanen het bevat.

Bron, structuur, hoeveelheid en formulering bepalen mede wat we uit wetenschappelijk onderzoek wel en niet over een product kunnen zeggen.

En daarmee hebben we in deze reeks inmiddels verschillende kanten van weerstand bekeken: essentiële vitamines en mineralen, een flavonoïde en nu een bijzondere familie van natuurlijke koolhydraten.

In de laatste blog van dit cluster brengen we het weer terug naar het dagelijks leven:

Seizoensgebonden klachten en leefstijl.

Waarom lijken verkoudheden en andere luchtwegklachten juist in bepaalde perioden vaker voor te komen? Komt dat werkelijk doordat kou je weerstand verlaagt? Welke rol spelen binnen zitten, luchtvochtigheid, slaap, zonlicht en contact met andere mensen? En wat kun je praktisch doen zonder iedere herfst een kast vol weerstandssupplementen te kopen?

Dat bekijken we in de volgende blog.