Een scheut olijfolie over je salade, een handje noten, avocado, kaas, eieren of een stukje zalm.
Ze leveren allemaal vet.
Vet is een belangrijk onderdeel van onze voeding. Het levert energie, is onderdeel van onder andere celmembranen en speelt een rol bij de opname van de vetoplosbare vitamines A, D, E en K.
Maar voordat je lichaam vet uit een maaltijd kan gebruiken, moet er behoorlijk wat gebeuren.
Vet mengt namelijk niet zomaar met water.
En aangezien ons spijsverteringskanaal grotendeels een waterige omgeving is, heeft het lichaam daar een slim systeem voor.
Twee belangrijke hoofdrolspelers daarin zijn:
gal en lipase.
Die twee worden nogal eens door elkaar gehaald, maar ze hebben ieder een andere taak.
Wat gebeurt er eigenlijk met een hap avocado of een lepel olijfolie nadat je die hebt doorgeslikt?
Dat gaan we volgen.
Wat is lipase?
Lipase is de naam voor een groep enzymen die vetten kunnen afbreken.
Er bestaat dus niet één enkel lipase.
Ons lichaam maakt verschillende lipasen die op verschillende plaatsen en bij verschillende processen betrokken zijn.
Voor de vertering van vet uit voeding is vooral pancreaslipase belangrijk.
Dit enzym wordt gemaakt door de alvleesklier, oftewel de pancreas, en afgegeven aan de dunne darm.
Daar helpt het bij het afbreken van triglyceriden uit onze voeding.
Het grootste deel van de vetvertering vindt plaats in de dunne darm, waarbij pancreasenzymen en galzouten nauw samenwerken.
Maar voordat lipase goed aan het werk kan, is er eerst een praktisch probleem.
Vet en water mengen namelijk slecht.
Waarom is vet lastig te verteren?
Denk eens aan een glas water waar je een scheut olijfolie in giet.
Wat gebeurt er?
De olie blijft grotendeels apart van het water.
In je spijsverteringskanaal ontstaat een vergelijkbaar probleem.
Veel vet uit voeding bestaat uit triglyceriden. Dat zijn relatief grote vetmoleculen die slecht oplossen in de waterige inhoud van de darm.
Lipase moet die vetten kunnen bereiken om ze af te breken.
Wanneer vet zich in grotere druppels verzamelt, is het oppervlak waarop enzymen kunnen werken beperkt.
Daarom moet het vet eerst beter toegankelijk worden gemaakt.
En daar komt gal bij kijken.
Wat doet gal?
Gal wordt gemaakt door de lever.
Tussen maaltijden kan gal worden opgeslagen en geconcentreerd in de galblaas.
Wanneer voeding, en met name vet, in de dunne darm terechtkomt, kan gal aan de darm worden afgegeven.
Gal bevat onder andere galzouten.
Deze helpen bij het verwerken en emulgeren van vet.
Je kunt dit vereenvoudigd zien als het beter verdelen van vet, zodat spijsverteringsenzymen er gemakkelijker bij kunnen.
Galzouten spelen later ook een belangrijke rol bij het vormen van kleine structuren die helpen om de afbraakproducten van vet door de waterige darminhoud richting de darmwand te brengen.
Je kunt het enigszins vergelijken met wat er gebeurt wanneer je afwasmiddel gebruikt bij een vettige pan.
Gal is natuurlijk geen afwasmiddel, maar de vergelijking helpt om te begrijpen hoe het lichaam omgaat met stoffen die slecht met water mengen.
Gal en lipase zijn niet hetzelfde
Dit onderscheid is belangrijk.
Gal is geen enzym.
Gal en de daarin aanwezige galzouten helpen bij het toegankelijk maken en verwerken van vetten.
Lipase is wel een enzym.
Lipase voert de chemische splitsing van bepaalde vetverbindingen uit.
Heel eenvoudig:
gal helpt vet toegankelijk te maken
lipase helpt vetverbindingen af te breken
Ze werken dus samen, maar hebben niet dezelfde functie.
Wat doet pancreaslipase vervolgens?
Wanneer het voedingsvet beter toegankelijk is geworden, kan pancreaslipase aan het werk.
Veel vetten in onze voeding bestaan uit triglyceriden.
Je kunt een triglyceride eenvoudig voorstellen als een glycerolstructuur waaraan drie vetzuren vastzitten.
Pancreaslipase kan bepaalde verbindingen in deze triglyceriden verbreken.
Daarbij ontstaan vooral vrije vetzuren en monoglyceriden.
Deze kleinere afbraakproducten kunnen vervolgens samen met galzouten structuren vormen die micellen worden genoemd.
Micellen helpen vetachtige stoffen door de waterige inhoud van de darm richting de darmwand te vervoeren.
We hoeven de volledige scheikunde daarvan niet te kennen om het principe te begrijpen:
groot voedingsvet → kleinere vetbestanddelen → transport richting de darmwand → opname
Wat gebeurt er daarna met het vet?
Eenmaal bij de darmwand kunnen vetzuren en monoglyceriden worden opgenomen door de cellen van de dunne darm.
En daar gebeurt iets bijzonders.
Het lichaam heeft het vet net uit elkaar gehaald en bouwt een groot deel ervan vervolgens weer op.
In de darmcellen worden vetzuren en monoglyceriden opnieuw gebruikt om triglyceriden te vormen.
Deze vetten worden samen met andere stoffen verpakt in transportdeeltjes die chylomicronen worden genoemd.
Deze kunnen via het lymfestelsel en uiteindelijk de bloedbaan verder door het lichaam worden vervoerd.
Het proces ziet er vereenvoudigd dus zo uit:
vet eten → toegankelijk maken met behulp van gal → afbreken met lipase → opnemen via de darmwand → opnieuw verpakken → transporteren door het lichaam
Dat is behoorlijk verfijnd voor iets waar je tijdens het eten normaal gesproken niets van merkt.
Waarvoor gebruikt je lichaam vet?
Vet heeft soms een slechte reputatie, maar ons lichaam heeft vetten nodig.
Vetten en vetzuren hebben verschillende functies.
Ze kunnen energie leveren en zijn onderdeel van de structuur van onze cellen.
Bepaalde vetzuren zijn bovendien essentieel. Dat betekent dat het lichaam ze niet voldoende zelf kan maken en ze daarom uit voeding moet halen.
Daarnaast is een normale vetvertering belangrijk voor de opname van de vetoplosbare vitamines A, D, E en K.
Dat helpt verklaren waarom een langdurig ernstig verstoorde vetvertering meer gevolgen kan hebben dan alleen veranderingen in de ontlasting of een onrustige buik.
Voordat voedingsstoffen kunnen worden opgenomen, moeten ze eerst op een geschikte manier worden verwerkt.
Maakt alleen de alvleesklier lipase?
Nee.
De vetvertering begint al eerder.
Er bestaat bijvoorbeeld gastrisch lipase, dat in de maag actief is en daar al een deel van de triglyceriden kan afbreken.
Bij volwassenen vindt het grootste deel van de vetvertering uiteindelijk plaats in de dunne darm, waarbij pancreaslipase een belangrijke rol speelt.
Daarnaast bestaan er in het lichaam andere lipasen die betrokken zijn bij de verwerking en het transport van vetten nadat deze zijn opgenomen.
Het woord lipase verwijst dus eigenlijk naar een hele familie van enzymen die betrokken zijn bij verschillende aspecten van de vetstofwisseling.
De alvleesklier maakt meer dan alleen lipase
De pancreas is een bijzonder orgaan.
Voor de spijsvertering produceert de alvleesklier verschillende enzymen.
Daaronder vallen lipase voor vetten, amylase voor zetmeel en verschillende proteolytische enzymen voor eiwitten.
Deze enzymen worden afgegeven aan de dunne darm, waar ze gezamenlijk helpen om een maaltijd verder af te breken.
Dat verklaart meteen waarom je lipase vaak samen met amylase en protease tegenkomt in een spijsverteringsenzymencomplex.
Ze hebben ieder een andere taak.
Wat gebeurt er wanneer onvoldoende pancreasenzymen beschikbaar zijn?
Wanneer de pancreas onvoldoende spijsverteringsenzymen afgeeft, kan de vertering van voedingsstoffen minder goed verlopen.
Vooral de vetvertering kan daarbij duidelijk worden beïnvloed.
Wanneer vetten onvoldoende worden verteerd en opgenomen, spreken we van vetmalabsorptie.
Een opvallend verschijnsel kan steatorroe zijn.
De ontlasting kan dan bijvoorbeeld vettig of olieachtig zijn, moeilijker doorspoelen of opvallend anders ruiken.
Bij een duidelijke exocriene pancreasinsufficiëntie kunnen daarnaast verschijnselen voorkomen zoals een opgeblazen gevoel, winderigheid, gewichtsverlies en tekorten aan vetoplosbare vitamines.
Maar hierbij is één ding belangrijk:
vettige ontlasting betekent niet automatisch dat iemand te weinig lipase maakt.
Een verminderde vetopname kan verschillende oorzaken hebben
Voor een goede vetvertering heb je namelijk niet alleen lipase nodig.
Ook galzouten, een goed functionerende dunne darm en een goede samenwerking tussen verschillende spijsverteringsprocessen zijn belangrijk.
Vetmalabsorptie kan daarom verschillende oorzaken hebben.
Er kan bijvoorbeeld iets spelen rond de alvleesklier, galwegen of galzuren, de dunne darm of andere onderdelen van het maag-darmstelsel.
Daarom zou ik bij langdurige vettige ontlasting, onverklaard gewichtsverlies of andere duidelijke veranderingen niet simpelweg zelf extra lipase toevoegen.
Dan is de belangrijkste vraag:
waarom wordt het vet niet goed verwerkt?
Wat heeft lipase met vitamine A, D, E en K te maken?
Lipase breekt deze vitamines zelf niet af.
Maar een normale vetvertering helpt wel bij het creëren van omstandigheden waarin vetoplosbare stoffen kunnen worden opgenomen.
Wanneer iemand langdurig ernstige vetmalabsorptie heeft, kan daardoor ook de opname van de vetoplosbare vitamines A, D, E en K worden beïnvloed.
Bij aandoeningen waarbij de vetvertering ernstig is verstoord, kan daarom ook aandacht worden besteed aan de voedingsstatus.
Dat laat mooi zien dat spijsvertering en opname niet hetzelfde zijn.
Een voedingsstof kan pas goed worden opgenomen wanneer de eerdere stappen in de vertering goed genoeg verlopen.
Waarom zit lipase in supplementen?
Lipase wordt regelmatig toegevoegd aan supplementen met spijsverteringsenzymen.
Je ziet het bijvoorbeeld samen met amylase, protease, lactase, bromelaïne of papaïne.
De gedachte achter zo'n combinatie is eenvoudig.
Een maaltijd bestaat meestal uit verschillende voedingsstoffen.
Lipase is gericht op vetten.
Amylase helpt bij de afbraak van zetmeel.
Proteasen richten zich op eiwitten.
Lactase heeft een heel specifieke functie bij lactose.
Door verschillende enzymen te combineren kan een product gericht zijn op meerdere onderdelen van een maaltijd.
Dat betekent overigens niet dat iedereen zo'n complex nodig heeft.
Een normaal functionerend spijsverteringsstelsel maakt zelf grote hoeveelheden spijsverteringsenzymen.
Een lipasesupplement is niet hetzelfde als medische pancreasenzymen
Dit onderscheid vind ik belangrijk.
Mensen met exocriene pancreasinsufficiëntie, vaak afgekort tot EPI, maken of geven onvoldoende pancreasenzymen af om voeding normaal te verteren.
Daarvoor kan pancreatic enzyme replacement therapy, oftewel PERT, worden voorgeschreven.
Deze medische pancreasenzympreparaten bevatten onder andere lipase.
De hoeveelheid en het gebruik worden afgestemd op de medische situatie en de maaltijden.
Dat is iets anders dan een algemeen voedingssupplement waarin wat lipase is verwerkt.
Een vrij verkrijgbaar spijsverteringsenzymencomplex is daarom geen vervanging voor voorgeschreven pancreasenzymen bij vastgestelde pancreasinsufficiëntie.
Waarom wordt bij medische pancreasenzymen zoveel naar lipase gekeken?
Omdat lipaseactiviteit een belangrijke maat is bij pancreasenzympreparaten.
De dosering wordt daarom uitgedrukt in eenheden lipaseactiviteit en niet simpelweg in milligrammen poeder.
Bij het gebruik van medische pancreasenzymen is ook het moment van inname belangrijk, omdat de enzymen zich met de maaltijd moeten kunnen mengen.
Dit illustreert opnieuw een principe dat we binnen deze enzymenserie vaker tegenkomen:
bij een enzym vertelt het gewicht niet het hele verhaal.
De enzymactiviteit is minstens zo relevant.
Waar kijk je naar op een lipasesupplement?
Bij supplementen kunnen verschillende activiteitseenheden worden gebruikt, afhankelijk van het enzympreparaat en de gebruikte analysemethode.
Daarom zou ik niet alleen kijken naar het aantal milligrammen lipase.
Ik wil vooral weten of de fabrikant duidelijk vermeldt welke enzymactiviteit het product levert.
Een enzym is tenslotte geen mineraal waarvan alleen de hoeveelheid stof interessant is.
Het enzym moet een bepaalde chemische reactie kunnen versnellen.
En precies dat probeert een activiteitseenheid inzichtelijk te maken.
Wanneer neem je lipase?
Wanneer lipase wordt gebruikt rondom de vertering van voedingsvet, is het logisch dat het enzym aanwezig is wanneer de vetbevattende maaltijd wordt gegeten.
Bij medische pancreasenzymen is dit bijzonder belangrijk, omdat de enzymen zich goed met het voedsel moeten mengen.
Bij een gewoon voedingssupplement zou ik vooral de gebruiksaanwijzing van het specifieke product volgen.
Het basisprincipe blijft echter eenvoudig:
lipase kan alleen op voedingsvet inwerken wanneer het enzym en dat vet elkaar in het spijsverteringskanaal tegenkomen.
Helpt lipase om lichaamsvet af te breken?
Nee.
Dit is een misverstand dat gemakkelijk ontstaat door de woorden vet afbreken.
Lipase helpt tijdens de spijsvertering bij het afbreken van vetten uit voeding, zodat de afzonderlijke bestanddelen verder kunnen worden verwerkt en opgenomen.
Dat betekent niet dat een lipasecapsule na het slikken naar buikvet of andere vetreserves reist en daar vetcellen gaat afbreken.
Sterker nog, de normale functie van spijsverteringslipase is juist om voedingsvet beschikbaar te maken voor opname.
Lipase is dus geen vetverbrander en geen afslanksupplement.
Betekent meer lipase dat je meer vet kunt eten?
Ook zo zou ik het niet bekijken.
Spijsverteringsenzymen bepalen niet of een voedingspatroon als geheel passend is.
Een supplement maakt de samenstelling van je voeding niet automatisch evenwichtiger.
Bij vetten kijk ik liever naar het grotere voedingspatroon en naar variatie tussen verschillende vetbronnen.
Denk bijvoorbeeld aan olijfolie, noten, zaden, avocado en vis, afhankelijk van wat binnen iemands voedingspatroon past.
Een enzymsupplement verandert niets aan de basisprincipes van een gevarieerd voedingspatroon.
Kun je met voeding je eigen lipaseproductie verhogen?
De productie en afgifte van spijsverteringsenzymen worden door het lichaam gereguleerd via een samenspel van zenuwsignalen, hormonen en signalen vanuit het maag-darmkanaal.
Er bestaat daarom niet één specifiek voedingsmiddel waarvan ik zou zeggen:
dit verhoogt je lipaseproductie.
Voor de dagelijkse ondersteuning van de spijsvertering kijk ik liever breder naar gevarieerd eten, voldoende voedingsstoffen, rustig eten, beweging en aandacht voor klachten die structureel terugkomen.
Bij een daadwerkelijk tekort aan pancreasenzymen is voeding alleen echter geen vervanging voor medische behandeling.
Wanneer zou ik klachten laten onderzoeken?
Af en toe een zwaar of vol gevoel na een zeer vetrijke maaltijd hoeft niet meteen te betekenen dat er iets mis is met de vetvertering.
Maar wanneer veranderingen structureel terugkomen, is het verstandig verder te kijken.
Dat geldt bijvoorbeeld bij herhaaldelijk vettige of olieachtige ontlasting, ontlasting die opvallend moeilijk doorspoelt, langdurige diarree, onverklaard gewichtsverlies, aanhoudende buikklachten of aanwijzingen voor voedingstekorten.
Zeker wanneer meerdere signalen samen voorkomen, zou ik niet beginnen bij de vraag:
welk enzymsupplement moet ik nemen?
De belangrijkere vraag is:
waardoor gebeurt dit?
Waar let ik op bij een lipasesupplement?
Wanneer ik een gewoon lipasesupplement beoordeel, kijk ik eerst naar de enzymactiviteit. Wordt naast de hoeveelheid duidelijk vermeld hoeveel lipaseactiviteit het product levert?
Daarna kijk ik naar de samenstelling. Is het een los lipasepreparaat of onderdeel van een breder enzymcomplex?
Ook het doel vind ik belangrijk. Waarom wordt het product eigenlijk gebruikt en past lipase logisch bij dat doel?
Vervolgens kijk ik naar het gebruiksmoment en naar de transparantie van de fabrikant.
En natuurlijk kijk ik naar de claims.
Een product dat rustig uitlegt dat lipase betrokken is bij de vertering van voedingsvet vind ik iets anders dan een product dat belooft lichaamsvet af te breken of de vetverbranding spectaculair te verhogen.
Dat soort claims zou mij juist kritischer maken.
Veelgestelde vragen over lipase
Wat is lipase?
Lipase is de naam voor een groep enzymen die vetten kunnen afbreken. Voor de normale vertering van voedingsvet speelt vooral pancreaslipase in de dunne darm een belangrijke rol.
Waar wordt lipase gemaakt?
Verschillende delen van het lichaam produceren lipasen. Voor de vetvertering zijn onder andere gastrisch lipase en vooral lipase uit de alvleesklier belangrijk.
Wat doet lipase met vet?
Pancreaslipase helpt triglyceriden uit voeding afbreken tot onder andere vrije vetzuren en monoglyceriden. Deze kunnen daarna verder worden verwerkt en opgenomen.
Is gal hetzelfde als lipase?
Nee. Gal is geen enzym. Galzouten helpen bij het verwerken en toegankelijk maken van vetten in de darm. Lipase is een enzym dat bepaalde vetverbindingen daadwerkelijk kan splitsen.
Waarvoor wordt lipase in supplementen gebruikt?
Lipase wordt toegevoegd aan spijsverteringsenzymen vanwege zijn rol bij de afbraak van voedingsvetten.
Helpt lipase bij afvallen?
Nee. Spijsverteringslipase helpt voedingsvet af te breken zodat de bestanddelen kunnen worden opgenomen. Het is geen vetverbrander.
Wat kan vettige ontlasting betekenen?
Vettige ontlasting kan passen bij vetmalabsorptie, maar daar kunnen verschillende oorzaken achter zitten. Wanneer dit regelmatig voorkomt, is medische beoordeling verstandiger dan alleen zelf extra lipase gebruiken.
Is een lipasesupplement hetzelfde als PERT?
Nee. PERT is medische pancreasenzymvervanging voor mensen met vastgestelde exocriene pancreasinsufficiëntie. Een algemeen voedingssupplement met lipase is daar geen vervanging voor.
Wil je persoonlijk kijken naar wat bij jou past?
Ik ben Annet van AGS-Orthomoleculair. In mijn begeleiding kijk ik samen met jou naar voeding, leefstijl en supplementen op een rustige en praktische manier.
Gebruik je een spijsverteringsenzymencomplex of twijfel je over een product met lipase? Dan kan ik met je meekijken naar de samenstelling, enzymactiviteit en het doel waarvoor je het gebruikt.
Bij langdurige vettige ontlasting, onverklaard gewichtsverlies of aanhoudende spijsverteringsklachten vind ik het belangrijk dat eerst medisch wordt gekeken naar een mogelijke achterliggende oorzaak.
Tot slot
Lipase laat mooi zien hoeveel werk het lichaam verricht voor iets wat tijdens een maaltijd heel vanzelfsprekend voelt.
Je eet een stukje zalm, wat avocado of een salade met olijfolie.
Daarna moet het lichaam dat vet eerst toegankelijk maken.
Galzouten helpen bij het verwerken van het voedingsvet.
Lipase helpt triglyceriden af te breken.
De afbraakproducten worden richting de darmwand vervoerd en opgenomen.
In de darmcellen wordt een groot deel vervolgens opnieuw opgebouwd en verpakt voor transport door het lichaam.
En dat allemaal zonder dat je daar normaal gesproken iets van merkt.
Daarom vind ik lipase vooral interessant als onderdeel van een groter samenspel.
Het enzym werkt niet alleen. Voor een normale vetvertering zijn onder andere de alvleesklier, lever, galwegen, dunne darm, galzouten en verschillende enzymen belangrijk.
Dat verklaart ook waarom langdurige problemen met de vetvertering niet automatisch betekenen dat je simpelweg wat extra lipase nodig hebt.
Soms ligt het probleem ergens anders.
Een gewoon lipasesupplement kan onderdeel zijn van een spijsverteringsenzymencomplex. Bij vastgestelde exocriene pancreasinsufficiëntie hebben we het over iets heel anders: medische pancreasenzymvervanging onder begeleiding.
De eenvoudigste manier om lipase te onthouden is misschien:
gal helpt voedingsvet toegankelijk te maken, lipase helpt het vervolgens daadwerkelijk af te breken.
In de volgende blog blijven we bij de spijsverteringsenzymen, maar gaan we van vet naar eiwitten.
Dan kijken we naar protease en volgen we hoe grote voedingseiwitten stap voor stap in kleinere delen worden gesplitst.