Buikvet, hormonen en gezondheid

Een buikje krijgen naarmate je ouder wordt, wordt bij mannen soms bijna als vanzelfsprekend gezien. “Dat hoort bij de leeftijd” of “dat komt door je hormonen” zijn veelgehoorde verklaringen.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Vooral vet dat diep in de buik rond de organen ligt is biologisch actief. Het kan invloed hebben op de gevoeligheid voor insuline, vetstofwisseling en ontstekingsprocessen. Tegelijkertijd kunnen hormonen, spiermassa, slaap, beweging, alcoholgebruik en energie-inname invloed hebben op hoeveel buikvet iemand opslaat.

Daardoor kan een soort wisselwerking ontstaan:

meer buikvet kan de stofwisseling en hormoonhuishouding beïnvloeden, terwijl veranderingen in stofwisseling en hormonen het tegelijkertijd gemakkelijker kunnen maken om meer buikvet op te slaan.

Maar hoe werkt dat precies?

Niet al het buikvet is hetzelfde

Wanneer we over buikvet praten, hebben we het eigenlijk over verschillende soorten vetweefsel.

De twee belangrijkste zijn onderhuids vet en visceraal vet.

Onderhuids buikvet

Onderhuids vet bevindt zich direct onder de huid.

Dit is het zachte vet dat je tussen je vingers kunt pakken wanneer je in je buik knijpt.

Onderhuids vet is niet simpelweg nutteloze ballast. Het lichaam gebruikt vetweefsel onder andere voor:

  • energieopslag;

  • warmte-isolatie;

  • bescherming;

  • productie van verschillende hormonen en signaalstoffen.

Een grote hoeveelheid lichaamsvet kan natuurlijk wel samengaan met gezondheidsrisico's, maar onderhuids vet wordt over het algemeen als minder ongunstig beschouwd dan een grote hoeveelheid visceraal vet.

Visceraal buikvet

Visceraal vet ligt dieper in de buikholte, rondom organen zoals:

  • lever;

  • darmen;

  • alvleesklier.

Je kunt dit vet dus niet rechtstreeks vastpakken.

Een bepaalde hoeveelheid is normaal.

Het probleem ontstaat vooral wanneer de hoeveelheid visceraal vet sterk toeneemt.

Waarom is visceraal vet anders?

Vroeger werd lichaamsvet vooral gezien als een opslagplaats:

te veel energie binnen → energie wordt opgeslagen als vet → later kan dat vet weer worden gebruikt.

Dat klopt, maar inmiddels weten we dat vetweefsel veel meer doet.

Vetweefsel is een endocrien orgaan.

Dat betekent dat vetcellen allerlei stoffen produceren waarmee ze met andere delen van het lichaam communiceren.

Deze stoffen worden onder andere adipokinen genoemd.

Voorbeelden zijn:

  • leptine;

  • adiponectine;

  • verschillende ontstekingsbevorderende signaalstoffen.

Wanneer vetcellen groter worden en er veel visceraal vet aanwezig is, kan de productie van deze stoffen veranderen.

Daarom kan een grote hoeveelheid visceraal vet gevolgen hebben die verder gaan dan alleen extra lichaamsgewicht.

Wat gebeurt er wanneer vetcellen steeds voller worden?

Vetweefsel heeft als belangrijke taak overtollige energie veilig op te slaan in de vorm van triglyceriden.

Wanneer langdurig meer energie binnenkomt dan wordt verbruikt, moeten vetcellen steeds meer vet opslaan.

Ze kunnen groter worden.

Dat noemen we hypertrofie van vetcellen.

Wanneer vetcellen sterk vergroot raken, kan hun normale werking veranderen.

Er kunnen bijvoorbeeld meer ontstekingsbevorderende signalen ontstaan en de gevoeligheid voor insuline kan verminderen.

Tegelijkertijd kan de productie van adiponectine afnemen.

Adiponectine is een signaalstof uit vetweefsel die onder andere samenhangt met een gunstige insulinegevoeligheid en vetzuurstofwisseling.

Hier ontstaat dus een belangrijk inzicht:

meer vetweefsel betekent niet alleen een grotere opslagplaats — de biologische eigenschappen van het vetweefsel kunnen zelf veranderen.

Wat heeft buikvet met insuline te maken?

Na een maaltijd komen voedingsstoffen in het bloed terecht.

Wanneer koolhydraten worden verteerd, stijgt bijvoorbeeld de hoeveelheid glucose in het bloed.

De alvleesklier maakt daarop insuline.

Insuline geeft cellen onder andere het signaal dat voedingsstoffen beschikbaar zijn.

In spiercellen helpt insuline bijvoorbeeld glucose uit het bloed op te nemen.

In vetweefsel bevordert insuline opslag en remt het tijdelijk de vrijmaking van opgeslagen vet.

Dat is normaal.

Je lichaam hoort na een maaltijd immers niet tegelijkertijd grote hoeveelheden opgeslagen energie vrij te maken.

Wat is insulineresistentie?

Bij insulineresistentie reageren bepaalde weefsels minder goed op het signaal van insuline.

De alvleesklier probeert dat aanvankelijk te compenseren door meer insuline te produceren.

Daardoor kan de bloedsuiker nog lange tijd redelijk normaal blijven.

Vereenvoudigd:

cellen reageren minder goed op insuline → alvleesklier maakt meer insuline → lichaam kan bloedsuiker aanvankelijk toch reguleren

Visceraal vet speelt binnen dit proces een bijzondere rol.

Het kan relatief gemakkelijk vrije vetzuren afgeven.

Een deel daarvan bereikt via de poortader rechtstreeks de lever.

Wanneer de lever langdurig wordt blootgesteld aan een grote aanvoer van vrije vetzuren, kan dat bijdragen aan leververvetting en verminderde insulinegevoeligheid.

Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan

Nu worden de verschillende onderdelen interessant.

Bij toenemend visceraal vet kunnen:

  • meer vrije vetzuren bij de lever terechtkomen;

  • ontstekingssignalen toenemen;

  • adiponectine afnemen;

  • lever en andere weefsels minder gevoelig worden voor insuline.

Insulineresistentie en een langdurig energieoverschot kunnen vervolgens weer samengaan met verdere opslag van energie.

Er kan zo een situatie ontstaan waarin verschillende processen elkaar versterken:

meer visceraal vet → ongunstiger metabool milieu → verminderde insulinegevoeligheid → verdere verstoring van de energiestofwisseling → gemakkelijker verdere vetopslag wanneer de energiebalans positief blijft

Maar dit betekent niet dat insuline simpelweg “dik maakt”.

Maakt insuline je dik?

Dit wordt online vaak veel te eenvoudig voorgesteld.

Je hoort bijvoorbeeld:

“Insuline is een vetopslaghormoon, dus hoge insuline veroorzaakt overgewicht.”

Insuline stimuleert inderdaad processen die betrokken zijn bij opslag en remt tijdelijk de afbraak van vet.

Maar daaruit volgt niet dat insuline de fundamentele energiebalans buiten werking stelt.

Om lichaamsvet over langere tijd op te bouwen moet er netto meer energie worden opgeslagen dan wordt gebruikt.

Insuline is onderdeel van de manier waarop het lichaam die energie verdeelt en opslaat, maar is niet de enige oorzaak van gewichtstoename.

Andersom is insulineresistentie ook niet simpelweg uitsluitend het gevolg van te veel suiker eten.

Het is een complex proces waarbij onder andere:

  • totale energie-inname;

  • lichaamsvet;

  • vetverdeling;

  • beweging;

  • spiermassa;

  • genetische aanleg;

  • slaap;

  • leeftijd

een rol kunnen spelen.

Waarom krijgen mannen gemakkelijker buikvet?

Mannen en vrouwen slaan vet gemiddeld niet op precies dezelfde plaatsen op.

Vóór de overgang slaan vrouwen relatief gemakkelijker vet op rond:

  • heupen;

  • billen;

  • bovenbenen.

Dit noemen we vaak een meer gynoïde vetverdeling.

Mannen hebben gemiddeld meer aanleg voor vetopslag rond de buik en organen: een meer androïde vetverdeling.

Geslachtshormonen spelen daarbij een belangrijke rol.

Daarom kan een man bij dezelfde totale hoeveelheid lichaamsvet relatief meer visceraal vet hebben dan een vrouw vóór de menopauze.

Na de menopauze verandert de hormonale situatie bij vrouwen en verschuift vetopslag gemiddeld eveneens meer richting de buik.

Wat heeft testosteron met buikvet te maken?

Hier wordt het bijzonder interessant, omdat de relatie twee kanten op werkt.

Testosteron beïnvloedt onder andere:

  • spiermassa;

  • vetmassa;

  • vetverdeling;

  • botweefsel;

  • seksuele functie.

Mannen met lage testosteronwaarden hebben gemiddeld vaker een hoger vetpercentage en meer visceraal vet.

Maar je kunt daar niet simpelweg van maken:

laag testosteron → dikke buik.

Want meer lichaamsvet kan op zijn beurt óók invloed hebben op de hormoonhuishouding.

Vetweefsel kan hormonen omzetten

Vetweefsel bevat een enzym dat aromatase heet.

Aromatase kan androgenen omzetten in oestrogenen.

Bij mannen wordt bijvoorbeeld testosteron via aromatase omgezet in oestradiol.

Dat is overigens volkomen normaal.

Mannen hebben oestrogeen nodig voor onder andere botgezondheid, seksuele functie en verschillende andere processen.

Oestrogeen is dus absoluut niet alleen een “vrouwelijk hormoon”.

Maar wanneer de hoeveelheid vetweefsel toeneemt, is er ook meer weefsel waarin aromatase aanwezig kan zijn.

Daardoor kan de omzetting van androgenen naar oestrogenen veranderen.

Kan buikvet testosteron verlagen?

De relatie is ingewikkelder dan alleen aromatase.

Obesitas en vooral metabole verstoringen kunnen invloed hebben op de hypothalamus-hypofyse-testis-as.

Dat is het regelsysteem waarmee de hersenen en testikels de testosteronproductie aansturen.

Heel vereenvoudigd:

hypothalamus → GnRH

hypofyse → LH

testikels → testosteron

Bij mannen met obesitas kan deze hormonale as minder actief worden.

Daarnaast kunnen veranderingen in insuline, ontstekingssignalen en andere metabole factoren een rol spelen.

Daardoor ontstaat opnieuw een wisselwerking:

meer vetmassa → hormonale omgeving verandert → testosteron kan dalen

maar ook:

lager testosteron → behoud van spiermassa wordt moeilijker en vetmassa kan gemakkelijker toenemen

Dat kan elkaar versterken.

Betekent een buikje dat je een testosterontekort hebt?

Nee.

Dat is een belangrijke conclusie.

Buikvet komt ontzettend veel voor en kan ontstaan zonder klinisch testosterontekort.

En klachten zoals:

  • vermoeidheid;

  • minder spierkracht;

  • gewichtstoename;

  • minder zin in seks;

  • minder motivatie

zijn niet specifiek voor een testosterontekort.

Ze kunnen vele oorzaken hebben.

Wanneer er werkelijk verdenking bestaat op testosterontekort, hoort dat beoordeeld te worden aan de hand van klachten én geschikte bloedmetingen.

Een “testosteronbooster” kopen omdat je buikomtrek toeneemt is dus geen logische eerste stap.

Waarom neemt buikvet vaak toe naarmate mannen ouder worden?

Testosteron krijgt vaak alle schuld, maar er gebeurt veel meer.

Naarmate we ouder worden veranderen vaak tegelijkertijd:

  • spiermassa;

  • lichamelijke activiteit;

  • voedingspatroon;

  • slaap;

  • alcoholgebruik;

  • hormoonhuishouding;

  • energiebehoefte.

Een bijzonder belangrijke factor is spiermassa.

Waarom maakt spiermassa verschil?

Spierweefsel is niet alleen nodig om sterk te zijn.

Het is ook een belangrijk metabool weefsel.

Na een maaltijd kan spierweefsel bijvoorbeeld grote hoeveelheden glucose opnemen.

Wanneer iemand regelmatig zijn spieren gebruikt, helpt dat de insulinegevoeligheid te ondersteunen.

Met het ouder worden kan spiermassa geleidelijk afnemen, zeker wanneer iemand weinig beweegt en geen krachttraining doet.

Dit noemen we bij ernstigere leeftijdsgerelateerde afname sarcopenie.

Minder spiermassa betekent niet dat je stofwisseling plotseling instort.

Maar in combinatie met minder dagelijkse beweging kan het totale energieverbruik wel afnemen.

Wanneer iemand vervolgens blijft eten en drinken zoals twintig jaar eerder, kan langzaam een energieoverschot ontstaan.

Een klein dagelijks verschil kan over jaren behoorlijk oplopen.

Waarom is krachttraining daarom zo interessant?

Krachttraining helpt spiermassa en spierfunctie behouden.

Dat heeft meerdere voordelen.

Meer actief spierweefsel betekent onder andere:

  • een grotere capaciteit voor glucoseopname;

  • behoud van kracht;

  • beter lichamelijk functioneren;

  • een gunstiger lichaamssamenstelling.

Daarom is krachttraining bij mannen van middelbare en hogere leeftijd niet alleen interessant om gespierd te blijven.

Het is onderdeel van metabole gezondheid.

En cortisol? Bestaat een 'cortisolbuik'?

Op sociale media wordt regelmatig gesproken over een zogenaamde cortisolbuik.

Het idee is dat stress je cortisol verhoogt en cortisol vervolgens rechtstreeks buikvet veroorzaakt.

Dat is veel te simpel.

Cortisol is een noodzakelijk hormoon.

Het helpt onder andere bij:

  • beschikbaar maken van energie;

  • reguleren van de bloedsuiker;

  • bloeddruk;

  • immuunreacties;

  • omgaan met fysieke en mentale belasting.

Zonder cortisol kun je niet functioneren.

Wat kan chronische stress dan wél doen?

Langdurige stress kan via verschillende routes bijdragen aan gewichtstoename.

Bijvoorbeeld doordat iemand:

  • slechter slaapt;

  • meer trek krijgt in energierijke voeding;

  • vaker alcohol drinkt;

  • minder beweegt;

  • minder goed herstelt;

  • meer gaat snacken.

Daarnaast kunnen langdurige veranderingen in de activiteit van het stresssysteem invloed hebben op glucose- en vetstofwisseling.

Er bestaan medische aandoeningen waarbij langdurig extreem hoge cortisolwaarden daadwerkelijk karakteristieke centrale vetopslag veroorzaken, zoals het syndroom van Cushing.

Dat is echter iets heel anders dan gewone dagelijkse stress.

Daarom is:

“je hebt buikvet, dus je cortisol is te hoog”

geen betrouwbare conclusie.

Waarom is slaap zo belangrijk voor buikvet?

Slaap verbrandt niet rechtstreeks buikvet.

Maar slaap beïnvloedt wel allerlei systemen die bepalen hoe gemakkelijk je een gezonde lichaamssamenstelling kunt behouden.

Slaaptekort kan onder andere invloed hebben op:

  • eetlust;

  • beloningssystemen in de hersenen;

  • insulinegevoeligheid;

  • motivatie om te bewegen;

  • trainingsprestaties;

  • hormonale regulatie.

Na een slechte nacht hebben veel mensen bovendien meer behoefte aan energierijk voedsel.

Tegelijkertijd voelen ze zich vaak minder gemotiveerd om te bewegen.

Het effect van slaap kan daardoor ongemerkt aan beide kanten van de energiebalans werken:

meer behoefte aan energie + minder activiteit

Structureel voldoende slaap is daarom veel relevanter voor lichaamssamenstelling dan het misschien op het eerste gezicht lijkt.

Alcohol en buikvet

Bij mannengezondheid hoort alcohol eigenlijk ook in dit verhaal.

Alcohol levert ongeveer 7 kilocalorieën per gram.

Dat is aanzienlijk meer dan koolhydraten en eiwitten, die ongeveer 4 kcal per gram leveren.

Een paar glazen alcohol kunnen daardoor behoorlijk bijdragen aan de dagelijkse energie-inname.

Maar er gebeurt nog iets.

Het lichaam kan alcohol niet opslaan zoals vet of glycogeen en geeft daarom prioriteit aan het afbreken ervan.

Tijdens die periode verandert het gebruik van andere brandstoffen, waaronder vet.

Daarnaast gaat alcoholconsumptie regelmatig samen met:

  • snacks;

  • grotere porties;

  • slechter slapen;

  • minder bewegen de volgende dag.

Een “bierbuik” ontstaat dus niet omdat bier rechtstreeks naar de buik wordt gestuurd.

Maar regelmatig alcohol drinken kan via verschillende routes wel bijdragen aan een positieve energiebalans en ongunstige lichaamssamenstelling.

Kun je specifiek buikvet verbranden?

Nee.

Honderd buikspieroefeningen verbranden niet specifiek het vet dat bovenop je buikspieren ligt.

Je kunt een spier lokaal trainen.

Je kunt vetverlies echter niet betrouwbaar sturen naar precies het gebied dat jij kiest.

Waar iemand als eerste vet opslaat en waar het als laatste verdwijnt wordt sterk beïnvloed door onder andere:

  • genetica;

  • geslacht;

  • hormonen;

  • leeftijd.

Om buikvet te verminderen moet de totale vetmassa doorgaans afnemen.

Het goede nieuws is dat visceraal vet vaak behoorlijk goed reageert op gewichtsverlies en lichaamsbeweging.

Je hoeft dus niet eerst extreem slank te worden voordat er metabool gunstige veranderingen kunnen optreden.

Wat werkt dan daadwerkelijk tegen buikvet?

Er bestaat geen voedingsmiddel, hormoonbooster of supplement dat specifiek visceraal vet laat verdwijnen.

De belangrijkste strategie is veel minder spectaculair:

langdurig iets minder energie opslaan dan je gebruikt, terwijl je zoveel mogelijk spiermassa behoudt.

Daarvoor zijn verschillende onderdelen belangrijk.

Krachttraining

Helpt spiermassa en spierfunctie behouden en kan de insulinegevoeligheid ondersteunen.

Dagelijkse beweging

Niet alleen sporten telt.

Wandelen, fietsen, traplopen en simpelweg minder zitten kunnen over een hele week behoorlijk bijdragen aan het energieverbruik.

Voldoende eiwit

Eiwit helpt bij het behoud en de opbouw van spiermassa en geeft relatief veel verzadiging.

Vezelrijke, volwaardige voeding

Groenten, fruit, peulvruchten en volkorenproducten leveren vezels en kunnen helpen bij verzadiging en voedingskwaliteit.

Minder vloeibare calorieën en alcohol

Calorieën drinken kan ongemerkt een grote bijdrage leveren aan de totale energie-inname.

Voldoende slaap

Slaap ondersteunt eetlustregulatie, training en herstel.

Geen van deze factoren is afzonderlijk magisch.

Juist de combinatie maakt het verschil.

Waarom is middelomtrek interessant?

Een weegschaal vertelt hoeveel iemand weegt, maar niet waar het lichaamsvet zich bevindt.

Daarom kan de middelomtrek aanvullende informatie geven.

Een grotere middelomtrek hangt gemiddeld samen met een grotere hoeveelheid abdominale en viscerale vetmassa en daarmee met een hoger metabool risico.

Voor mannen van Europese afkomst worden vaak de volgende grenswaarden gebruikt:

  • minder dan 94 cm: relatief laag risico;

  • 94–102 cm: verhoogd risico;

  • meer dan 102 cm: duidelijk verhoogd risico.

Dit zijn geen harde grenzen waarbij iemand op 101 cm gezond en op 103 cm ineens ziek is.

Het risico neemt geleidelijk toe.

Middelomtrek is daarom vooral een eenvoudig hulpmiddel om centrale vetopslag en veranderingen daarin te volgen.

Kun je gezond zijn met buikvet?

Gezondheid kun je nooit volledig bepalen aan de hand van iemands uiterlijk.

Een grotere buikomtrek betekent niet automatisch dat iemand diabetes, leververvetting of een testosterontekort heeft.

Andersom kan iemand met een normaal gewicht wel metabole problemen hebben.

Wanneer er twijfel bestaat, geven andere factoren aanvullende informatie, bijvoorbeeld:

  • bloeddruk;

  • nuchtere glucose;

  • HbA1c;

  • bloedlipiden;

  • leverwaarden;

  • familiegeschiedenis.

Bij klachten die passen bij een mogelijk testosterontekort kan aanvullend hormonaal onderzoek relevant zijn.

Buikomtrek is dus een risicomarker, geen diagnose.

De orthomoleculaire blik op buikvet

Binnen een orthomoleculaire benadering zou de eerste vraag niet moeten zijn:

“Welk supplement helpt tegen buikvet?”

De betere vraag is:

“Waarom slaat deze persoon meer energie op dan hij gebruikt en welke factoren houden dat mogelijk in stand?”

Daarbij kun je kijken naar:

  • totale energie-inname;

  • eiwitinname;

  • voedingskwaliteit;

  • alcohol;

  • dagelijkse beweging;

  • krachttraining;

  • spiermassa;

  • slaap;

  • stress;

  • glucosehuishouding;

  • medicatie;

  • eventuele hormonale of medische oorzaken.

Pas wanneer je begrijpt waar het probleem zit, kun je bepalen welke aanpak zinvol is. 

Wil je persoonlijk kijken naar wat bij jou past?

Ik ben Annet van AGS-Orthomoleculair. In mijn begeleiding kijk ik samen met jou naar voeding, leefstijl en supplementen op een rustige en praktische manier.

Heb je na het lezen van deze blog vragen of wil je meer overzicht in jouw situatie? Dan kun je gerust contact met mij opnemen.

Neem contact met mij op →

Conclusie

Buikvet is veel meer dan een cosmetisch probleem, maar ook veel ingewikkelder dan simpelweg zeggen dat iemand “verkeerde hormonen” heeft.

Vooral visceraal vet is biologisch actief.

Wanneer de hoeveelheid ervan toeneemt, kunnen vetcellen anders gaan functioneren. Er kunnen meer vrije vetzuren en ontstekingssignalen vrijkomen, terwijl gunstige signaalstoffen zoals adiponectine kunnen afnemen.

Dat kan bijdragen aan verminderde insulinegevoeligheid en een ongunstiger metabool milieu.

Bij mannen komt daar een interessante wisselwerking met testosteron bij.

Meer vetmassa kan de hormonale omgeving beïnvloeden, terwijl lage testosteronwaarden op hun beurt kunnen samengaan met minder spiermassa en meer vetmassa.

Maar buikvet betekent niet automatisch dat testosteron te laag is.

Ook slaap, beweging, spiermassa, voeding, alcohol, leeftijd, genetica en totale energie-inname spelen een rol.

Daarom is er zelden één schuldige.

En er bestaat ook geen speciaal supplement waarmee alleen het buikvet verdwijnt.

De meest effectieve aanpak blijft verrassend fundamenteel:

minder langdurig energieoverschot + meer dagelijkse beweging + krachttraining + voldoende eiwit + goede slaap + zo nodig onderzoek naar metabole of hormonale afwijkingen.

Het doel is daarbij niet alleen een kleinere buik.

Het verminderen van overtollig visceraal vet kan juist betekenen dat de stofwisseling, insulinegevoeligheid en algemene metabole gezondheid verbeteren.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.